Ontstaan
Onze geschiedenis begint met Lodewijk Vincent Donche
Pater Lodewijk Vincent Donche, een jezuïet, en douairière Regina della Faille de Leverghem, gravin Van de Werve de Vorselaar, raakten beiden sterk betrokken bij de noden van de armen en de behoefte aan onderwijs in de Kempen. In 1820 werd er een leerwerkschool opgericht onder leiding van vrouwelijke religieuzen, met de steun van pater Donche en de gravin. De school groeide gestaag en nieuwe scholen werden opgericht onder leiding van Donche. Na de onafhankelijkheid van België in 1830 werd de congregatie der Christelijke Scholen officieel erkend en Donche werd de eerste algemeen overste. De congregatie groeide en bereikte in 1959 een hoogtepunt met 148 kloosters en 1556 zusters, toegewijd aan het onderwijs.
Onze geschiedenis
DEEL 4/4
Een nieuwe kloosterregel
Bij de onafhankelijkheid van België in 1830 keerde de vrijheid van onderwijs en vereniging terug. Vanaf 1831 werkt Donche de kloosterregel van de congregatie uit. Op 4 april 1834 keurde aartsbisschop Sterckx de kloosterregel goed en op 13 mei van datzelfde jaar spraken 18 meesteressen hun kloostergelofte uit in de parochiekerk te Vorselaar. Pater Donche werd aangesteld tot algemeen overste van de nieuwe congregatie.
In 1843 oordeelde Donche dat de congregatie sterk genoeg was om in trouw haar eigen weg te gaan en hij trad – ondertussen meer dan 70 jaar oud – opnieuw in bij de jezuïeten te Drongen. De leiding van de congregatie vertrouwde hij toe aan Eerwaarde Moeder Victoria. De twee daarop volgende algemeen oversten werden ook aanvaard en gevormd door de stichter zelf.
Vanaf toen begon de congregatie haar bestaan onder eigen verantwoordelijkheid en met eigen middelen. De eerste 150 jaar van haar geschiedenis breidde de congregatie van de Zusters der Christelijke Scholen zich bijna uitsluitend uit in functie van het onderwijs.